Herinneringen van mijnen ruimen in Oost-Brabant

Herinneringen van mijnen ruimen in Oost-Brabant

Jan Goevaerts | Liessel, juni 2018

Toen ik in 1945 in Liessel naar de lagere school ging kwam er ‘s morgens een legerauto met hoge snelheid en met loeiende sirene door Liessel. Er zaten SS-ers op met gestreepte pakken aan die werden bewaakt door Nederlands soldaten. Ze reden dan naar Neerkant en Meijel. Deze SS -ers moesten velden en wegen afzoeken naar mijnen met behulp van prikstokken.

Als een veld of weg klaar was moesten ze daar gearmd over lopen. De SS-ers saboteerden de zaak echter vaak, dus dat werkte niet goed.

Daarna hebben Duitse krijgsgevangene dit overgenomen die gelegerd waren bij Schiks Meelhandel in Deurne.

Zij kwamen iedere morgen op een open legerwagen met een Duitse chauffeur (Ludwig) door Liessel met Nederlandse bewakers erbij. Ik ben toen nog een paar keer meegereden naar Neerkant. Dat was voor mij toch wel spannend. De krijgsgevangenen hadden metaaldetectors en als de weg of het land afgezocht was, werd dat omgeploegd of met een schijfeg bewerkt.

De tractoren (Fordson type F) en ploegen werden gehuurd van loonbedrijf Jan Emonds uit Boekel. Jan Emonds was daar iedere dag bij aanwezig voor reparatie en onderhoud. Dit alles werd geregeld door Landbouwherstel uit Tilburg. Mijn vader Wiel Goevaerts was daar in dienst om e.e.a. te regelen. Later kocht Landbouwherstel zelf tractoren (Fordson-Major Blauwe Reiger), ploegen en een schijfeg. Wiel Goevaerts moest toen de tractoren en ploegen onderhouden. Het werk van Wiel werd overgenomen door Cor Cornelissen die iedere dag vanuit Oploo met z’n Harley naar Liessel-Neerkant en Meijel kwam. De tractoren stonden op ijzeren wielen met op de achterwielen grote pinnen. Eigenlijk kon men er niet mee over de harde weg rijden.
De lagers in de voorwielen waren regelmatig stuk. Mijn vader en Cor Cornelissen zijn daar nog voor naar de Fordfabrieken in Amsterdam geweest maar daar was niet aan te komen. Uiteindelijk werden ze gevonden bij Hermans (sloper) aan de Langstraat in Deurne. Hij haalde ze uit de voorwielen van de Willy-Jeeps.

De krijgsgevangenen (± 8 personen) waren mariniers. Zij werden een heel hechte groep die elkaar blindelings vertrouwden. Ook was er een heel jonge gevangene bij die zich niet wilde wassen maar dat hadden de anderen vlug opgelost. Ze hebben hem een keer met een harde borstel gewassen en toen was het opgelost. Ze hadden op zee gevochten en ze vertelden dat ze de handgranaten die van andere schepen gegooid werden op probeerden te vangen om ze weer terug te gooien.N.b. Ze zijn ook nog eens vanuit Deurne naar Nuland en Loon op Zand geweest. Er werd dan een tractor met ploeg op de auto geladen met oppassers en gevangenen erbij om een stuk land te ploegen dat door een andere groep krijgsgevangenen was afgezocht. In Nuland ploegden ze op een mijn waarbij de ontsteking afbrak en de mijn in vier stukken. Het was maar goed dat die groep daar niet bij was!! In Zuid-Oost Brabant zijn bij mijn weten nooit ongelukken gebeurd.

De gevangenen zijn bij ons aan huis (toen Liessel L176 zonder bewakers) nog verschillende dagen bezig geweest om rupsbanden van een tank om de achterwielen de tractor te monteren zodat ze zonder problemen over de verharde wegen konden rijden. Er moest toen in de Astense Peel een apparaat gehaald worden om die rupsen te spannen. Dat heeft mijn vader toen gedaan met een Duitse gevangene. Ze moesten toen een stuk door het Staatsbos. Mijn vader zei toen tegen de gevangene: “Als je nu wilt vluchten kan ik je niet tegenhouden.” Hij antwoordde: “Waar moet ik naar toe? Ik heb geen familie meer en als ik vrij kom vraag ik de Nederlandse nationaliteit aan en dan ga ik vrijwillig naar Indië.” Op de hoek Heitrak-Heitraksedijk kwam een man uit de buurt tegen mijn vader vertellen dat in de berm van de weg een zink was waar vermoedelijk een Duitse soldaat begraven was. Mijn vader vertelde dat tegen een gevangene die meteen ging graven en inderdaad een soldaat vond en ook een identiteitsplaatje.

Aan de Vlosbergweg in de Astense Peel hadden ze problemen met een detector. Toen die gerepareerd was probeerden een gevangene de detector uit op het fietspad en vonden ze een mijn die op scherp stond (toeval). Na verloop van tijd waren alle mijnenvelden gecontroleerd en opeens waren de krijgsgevangenen weg. Ze zijn nog een keer terug geweest om een stuk weg te controleren bij L179 in Liessel. Er lagen nog vele stukken land die nog niet bewerkt waren. Die heeft mijn vader Wiel Goevaerts toen allemaal nog geploegd. Hij had er zoveel vertrouwen in dat het goed gecontroleerd was dat hij dat met een gerust hart heeft gedaan.