Over het tot zinken brengen van Schnellboot S 71 in de nacht van 17 op 18 februari 1943 en het lot van haar bemanning.

door Jaap Plokker | Katwijk, maart 2022

Krantenknipsel met verslag van het tot zinken brengen van de S 71 en de redding van de overlevenden.

Inhoudsopgave

  • Voorwoord
  • ‘Schnellboote’
  • ‘Schnellboote’ in Nederland
  • S 38 klasse
  • Schnellboot S 71
  • 17/18 februari 1943: mijnenlegactie tussen Sheringham en Lowestoft
  • Op het Hollandse strand aangespoelde bemanningsleden van de S 71
  • Het traject van de stoffelijke overschotten
  • Naschrift
  • Verantwoording
    – Literatuur
    – Noten
    – Illustraties
  • Bijlage – Omgekomen bemanning Schnellboot S 71

Voorwoord

Op 27 augustus 2021 ontving ik van Rinus Noort uit Noordwijk een e-mail met een verzoek. Hij beschikte over een politierapport van een op 9 april 1943 te Noordwijk aangespoelde Duitser van de Kriegsmarine, waarin wel het nummer van diens ‘Erkennungsmarke’ werd vermeld, maar niet diens naam. Rinus wist me verder nog te melden dat desbetreffende Duitser op 22 april 1943 van Noordwijk naar het ‘Groene Kerkje’ te Oegstgeest was overgebracht om op de Duitse begraafplaats aldaar begraven te worden. Of ik hem kon helpen de identiteit van deze onbekende Duitser te achterhalen.

Op basis van het ‘EM’ nummer en een door mij opgesteld overzicht van aanvankelijk te Oegstgeest en later te Ysselsteyn herbegraven Duitsers kwam ik tot de veronderstelling dat de voor Rinus onbekende Duitser wel eens Eberhard Kronke geweest kon zijn. Toen Rinus me mailde dat Eberhard Kronke niet de enige was, maar binnen 24 uur maar liefst vier Duitsers van de Kriegsmarine op het Noordwijkse strand waren aangespoeld ontpopte het verzoek van Rinus van 27 augustus zich tot een interessante casus: Was er een verband tussen deze vier aangespoelde stoffelijke overschotten en zo ja, wat had zich op de Noordzee afgespeeld? Een essentiële voorwaarde om hiermee verder te kunnen gaan was dat we de beschikking kregen over de ‘Gräberkarteikarten’ van de geïdentificeerde Duitsers. Hiervoor nam ik contact op met Danny Hoek en binnen een dag kreeg ik antwoord. De drie geïdentificeerde Duitsers, inclusief Eberhard Kronke, behoorden tot het 6. Schnellbootsflotille en waren op 18 februari 1943 omgekomen. Gedurende het onderzoek leverde Danny Hoek ook nog de ‘Gräberkarteikarten’ van twee in april 1943 te Zandvoort aangespoelde en op 18 februari 1943 omgekomen bemanningsleden van het 6. Schnellbootsflotille.
Met deze gegevens kon ik aan de slag, met tussentijds input van Rinus wanneer hij iets ontdekt had. Het resultaat was een kennismaking mijnerzijds met de Duitse ‘Schnellboote’ en een reconstructie van de gebeurtenissen op 17 en 18 februari 1943 die uiteindelijk hebben geleid tot het zinken van Schnellboot S 71. Van dit schip waren namelijk drie bemanningsleden op 9 april 1943 op het Noordwijkse strand aangespoeld en ook de twee in april op het strand van Zandvoort aangetroffen Duitsers afkomstig.

Historisch onderzoek is niet alleen een uitermate interessante bezigheid voor de individuele amateur historicus, maar het krijgt een extra betekenisvolle dimensie wanneer de bevindingen met anderen worden gedeeld. Het spreekt daarom voor zich dat de kennis over de gebeurtenissen rondom de S 71 en haar bemanning zich niet moest beperken tot Rinus Noort, Danny Hoek en ondergetekende, maar ook voor andere geïnteresseerden beschikbaar moest zijn. Het resultaat is deze monografie. Bewust is er voor gekozen niet alleen de gebeurtenissen rondom de S 71 te reconstrueren, maar die te plaatsen in de algemene context van de Tweede Wereldoorlog, met de nadruk op de rol van de Duitse ‘Schnellboote’.

Jaap Plokker

Katwijk, maart 2022

Geveld door een ‘pom-pom’

In april 1943 spoelden in een tijdsbestek van enkele dagen zes stoffelijke overschotten van Duitse militairen van de Kriegsmarine aan op de stranden van Noordwijk en Zandvoort. Na identificatie van vijf van hen bleken ze te behoren tot het te IJmuiden gestationeerde 6. Schnellbootsflottille. Wat had zich op de Noordzee afgespeeld?

In het na de Eerste Wereldoorlog opgestelde Verdrag van Versailles waren allerlei bepalingen opgenomen om de opbouw van een sterke Duitse krijgsmacht in de toekomst te voorkomen. Zo was de Duitse Kriegsmarine bij de nieuwbouw van oorlogsbodems o.m. gebonden aan allerlei beperkingen wat betreft de omvang van de vloot en de bouw van slagschepen. De Duitsers besloten een oorlogsvloot op te zetten, weliswaar zonder grote slagschepen, maar met oorlogsbodems die vanwege bijzondere eigenschappen toch geduchte tegenstanders zouden zijn. Een voorbeeld hiervan was de ‘Schnellboot’.

‘Schnellboote’

Het besluit de eerste ‘Schnellboot’ aan te schaffen werd in 1929 genomen. Uitgangspunt voor het ontwerp was het in 1927 door scheepswerf Lürssen in Bremen gebouwde luxe en snelle jacht Oheka II. Na de bouw van de S 1 werd de vloot niet alleen uitgebreid, maar het type ook steeds gemoderniseerd. Het oorspronkelijke houten casco bleef men trouw. In de loop van de Tweede Wereldoorlog kwamen er boten in de vaart met een lengte van 35 meter. De ‘Schnellboot’ deed haar naam eer aan, want de latere types hadden onder gunstige omstandigheden een maximum snelheid van ca. 40 knopen. Vanwege deze eigenschap waren ze bijzonder geschikt voor snelle prikacties tegen vijandelijke schepen, i.h.b. vrachtschepen. Ze waren daarvoor o.m. uitgerust met torpedo’s, maar ze konden ook worden ingezet voor het leggen van mijnen in vijandelijke wateren en het werpen van dieptebommen. Daarnaast waren aan boord kanonnen geplaatst, voor zowel horizontaal als verticaal vuur. De Duitse ‘Schnellboot’ vormde een geducht wapen van de Duitse Kriegsmarine in de Tweede Wereldoorlog.(1)

‘Schnellboote’ van het 4. Schnellbootsflottille verlaten de haven van Rotterdam.

‘Schnellboote’ in Nederland

Tijdens de Tweede Wereldoorlog stationeerde de Duitse Kriegsmarine in de bezette gebieden ‘Schnellboote’ in zeehavens van het noorden van Noorwegen tot in Bretagne. De ‘Schnellboote’ waren ondergebracht in een aantal flottieljes. De flottieljes wisselden regelmatig van standplaats.(2)

In januari 1943 waren in Nederland drie flottieljes gestationeerd: het 2. en 6. Schnellbootsflottille in IJmuiden en het 4. Schnellbootsflottille te Rotterdam. De thuisbasis van laatstgenoemde was de ‘Schnellbootbunker’ in de Waalhaven. In IJmuiden bouwden de Duitsers ‘Schnellbootbunker I’ aan het kopeinde van de Haringhaven. Tijdens de oorlog werd, aan het begin van de Haringhaven, begonnen met een groter en beter beschermend onderkomen voor de Schnellbootsflottillen, maar die is nooit afgebouwd.(3)

Luchtfoto van het kopeinde van de Haringhaven te IJmuiden met ‘Schnellbootbunker I’. Begin 1943 was dit de thuisbasis van het 2. en 6. Schnellbootsflottille. Schade en bomkraters als gevolg van geallieerde bombardementen op de bunker zijn goed zichtbaar.

.

Vanuit IJmuiden en Rotterdam voerden de schepen, vaak in gezamenlijk verband, in de nachtelijke uren acties uit onder de Engels kust van East Anglia. Konvooien geallieerde vrachtschepen, veelal beladen met steenkool, voeren van Firth of Forth in Schotland naar Londen en vice versa langs dit van banken en mijnenvelden vergeven deel van de Noordzee. Met boeien waren tussen deze obstakels vaarroutes uitgezet. De ‘Schnellboote’ werden van te voren gewaarschuwd wanneer een konvooi vrachtschepen deze kuststrook zou passeren. Wanneer de omstandigheden dat toelieten, geen ruwe zee en een donkere nacht, trokken ze er op uit om met torpedo’s schepen tot zinken te brengen. Met een diepgang van 1,70 m was hun manoeuvreerruimte in dit deel van de Noordzee veel groter dan die van de diepliggende, trage vrachtschepen, die in dit kustgedeelte vaak maar een vaargeul van niet meer dan honderden meters breed tot hun beschikking hadden.

Ook werden ze regelmatig weggestuurd met als opdracht in de vaarroutes langs de kust van Norfolk en Suffolk zeemijnen te droppen, vaak vergezeld van zogenaamde springboeien om het vegen van de mijnen te vertragen. De ‘Schnellboote’ werden eveneens ingezet voor duikbootbestrijding en met dit doel voorzien van dieptebommen. In het gebied tussenNederland en Bretagne, het zogenaamde ‘Westraum’, werden ‘Schnellboote’ zelden met deze opdracht op pad gestuurd.(4)
In Oostende waren ook ‘Schnellboote’ gestationeerd. Met die uit IJmuiden en Rotterdam was de Engelse oostkust van Cromer tot en met de Thamesmonding hun belangrijkste operatiegebied. Voor de in de Lage Landen gestationeerde ‘Schnellboote’ lag de focus vooral op de konvooiroute tussen Cromer en Orford Ness. De te Boulogne en Cherbourg gestationeerde flottieljes namen Het Kanaal en de Engelse zuidkust voor hun rekening.(5)

Voor de gebogen kustlijn van Norfolk tussen Cromer en het ten zuiden van Great Yarmouth gelegen Lowestoft was de Noordzee bezaaid met banken.

Alle konvooien tussen Schotland en Londen en vise versa moesten dit gedeelte van de Noordzee passeren en werden daar bij herhaling ‘getrakteerd’ op torpedo’s van de graag in dit gebied op ‘wild’ jagende Duitse ‘Schnellboote’.

S 38 klasse

In 1927 bouwde de Lürssen werf in Bremen voor de Joodse Duits-Amerikaanse investeringsbankier Otto Hermann Kahn de ‘Oheka II’. Dit 22,5 meter lange jacht bereikte, dankzij het lichte gewicht en het model van de romp, gecombineerd met de voortstuwing van drie motoren, een voor die tijd indrukwekkende snelheid van 34 knopen. Toen Lürssen in 1929 de opdracht kreeg de eerste ‘Schnellboot’ te bouwen stond voor het ontwerp daarvan de Oheka II als model. In 1930 kwam de eerste ‘Schnellboot’, S 1, in de vaart. Geheel overeenkomstig de in het Verdrag van Versailles vastgelegde bepalingen omtrent snelle boten was de bewapening licht en bevond zich aan boord geen torpedolanceerinstallatie, alhoewel bij de bouw rekening was gehouden die te kunnen plaatsen wanneer dat mogelijk cq. noodzakelijk was. Gedurende de jaren ’30 liepen een 20-tal ‘Schnellboote’ van verschillende types van stapel. Naarmate de jaren ’30 vorderden werd steeds minder geheimzinnig gedaan omtrent de mogelijkheid om deze schepen in te kunnen zetten als torpedoboot.
In 1940 kwam de S 26 in de vaart. Het, nog altijd houten, casco van dit schip zou model staan voor alle later te bouwen types. Tot dan waren de beide torpedolanceerbuizen bovendeks geïnstalleerd, maar met ingang van de S 26 werden ze aan weerszijden van de boeg in een verhoogd voordek geïntegreerd. Verdere zichtbare verbeteringen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden aangebracht, hadden vooral betrekking op de bewapening en de opbouw, die steeds meer bescherming moest bieden tegen, bijvoorbeeld, geallieerde luchtaanvallen.

Een ‘Schnellboot’ van de S 38 klasse op snelheid.

Model van een ‘Schnellboot’ van de S 38 klasse met gepantserde brug, de ’Kalottenbrücke’, aan weerszijden van de boeg ingebouwde torpedolanceerbuizen en de drie stukken geschut: op de voorplecht, midscheeps en op het achterdek.

Een verbeterde versie van de S 26 klasse was de S 38 klasse. Deze ‘Schnellboote’ hadden een gepantserde brug, een zogenaamde ‘Kalottenbrücke’. Met de bouw van de S 38 werd in 1940 begonnen. Veel van de gedurende de Tweede Wereldoorlog gebouwde ‘Schnellboote’ waren van de S 38 klasse, ook de S 71. De drie dieselmotoren gaven het schip een maximum snelheid van ca. 40 knopen. De bewapening bestond uit twee torpedolanceerbuizen, drie klein kaliber kanonnen en mitrailleurs. Bij vertrek zat in iedere lanceerbuis een torpedo, gereed om af te vuren. Er bestond een mogelijkheid nog twee extra torpedo’s mee te nemen. Met name voor een geplande aanval op een konvooi werd hiervan gretig gebruik gemaakt. Verder was het schip op het achterdek ingericht om zeemijnen te leggen. Men kon er zes meenemen. Gedurende de oorlogsjaren vertoonde de bewapening van de ‘Schnellboote’ tal van variaties. In de regel waren aan boord drie kanonnen geplaatst: op het voor- en achterschip een, respectievelijk, 20 en 40 mm kanon en een 20 mm meerloopsgeschut midscheeps, achter de brug. Ze waren vooral bedoeld voor luchtverdediging. Ook waren er 7.62 mm machinegeweren aan boord om zich tegen aanvallende vliegtuigen te verdedigen. Voor een confrontatie met vijandelijke oorlogsbodems was de ‘Schnellboot’ veel te licht bewapend. Haar snelheid, en de verrassings- en ontsnappingsmogelijkheden die dat bood, waren de ultieme wapens van de ‘Schnellboot’. Een licht casco en dito bewapening waren hiervan de consequenties. Met name de houten romp bood de bemanning nauwelijks bescherming tegen vijandelijk vuur. Modificaties aan de brug gedurende de oorlog hadden ten doel de besturing en bevelvoering meer bescherming te bieden.(6)

Oberleutnant zur See Rüdiger Suhr
vanaf 1 augustus 1942 commandant van Schnellboot S 71

De ‘Schnellboot’ S 71 was van de S 38 klasse. De kiel werd op 22 september 1941 gelegd op de ‘Lürssen Werft’ te Bremen. De tewaterlating vond plaats op 4 december 1941 waarna op 11 januari 1942 de S 71 in dienst werd gesteld en werd toegevoegd aan het 6. Schnellbootsflottille, het flottielje waarbij ze haar gehele actieve loopbaan zou zijn ingedeeld. Het 6. Schnellbootsflottille wisselde van januari 1942 tot en met februari 1943 regelmatig van thuishaven en zwierf gedurende deze periode langs havens aan de Atlantische Oceaan en de Noordzee, van Svolvaer op de Lofoten in noord Noorwegen tot in het Belgische Oostende. Vanaf 22 september 1942 was het 6. Schnellbootsflottille gestationeerd in IJmuiden.

Op 1 augustus 1942 werd het commando over de S 71 overgedragen aan de toen vierentwintigjarige Oberleutnant zur See Rüdiger Suhr.(7)

17/18 februari 1943: mijnenlegactie tussen Sheringham en Lowestoft

Rond half vijf in de middag van woensdag 17 februari 1943 verlieten 15 ‘Schnellboote’ van het 2., 4., en 6. Schnellbootsflottillle hun bases in IJmuiden en Rotterdam voor het leggen van mijnen in de doorvaart langs de Haisborough Sands, tussen Lowestoft en Sheringham.(8)

Een Britse ‘Fairey Albacore’ ontdekte in de avond van 17 februari 1943 om tien voor half negen het 2. Schnellbootsfottille bij de Haisborough Sands ten noorden van Great Yarmouth en plaatste de eerste aanval op de mijnen leggende ‘Schnellboote’.

Om 20.19 u. werd het 2. Flottille ontdekt en aangevallen door een ‘Fairey Albacore’, een éénmotorige tweedekker uitgerust voor verkenning en bom- en torpedoaanvallen. De ‘Albacore’s’ werden vooral ingezet aan de Engelse oostkust en Het Kanaal ter bescherming van de langs de kust varende konvooien vrachtschepen.(9)

Kennelijk had de ‘Fairey Albacore’, die met zijn aanval geen noemenswaardig succes had bereikt, de Royal Navy gealarmeerd, want de Britse ‘destroyers’ HMS ‘Montrose’ en HMS ‘Garth’, aangevuld met enkele Britse snelboten, MGB’s(10), stoomden op naar de plek waar de Duitse flottieljes waren gesignaleerd. In de verwachting dat de Duitsers er op uit waren een konvooi aan te vallen dat op weg was van Harwich naar Great Yarmouth namen ze posities in waar ze én het konvooi konden beschermen én de Duitse ‘Schnellboote’ meenden te kunnen verwachten. Om 23.39 u. meldde één van de ‘destroyers’ het eerste (radio)contact met ‘Schnellboote’. Wat er vanaf dat moment is gebeurd is niet geheel helder, omdat er verschillende lezingen de ronde doen. Het meest aannemelijk is dat op 18 februari 1943 ca. 00.50 u., als gevolg van een door HMS ‘Montrose’ afgeschoten lichtgranaat, de Duitse‘Schnellboote’ S 39, S 71 en S 76 voor HMS ‘Garth’ zichtbaar werden. De S 71 voer als middelste van het in linie varende trio. Terwijl er vanaf HMS ‘Garth’ met een ‘pom-pom’ op hen werd geschoten probeerden de Duitsers zich, al zigzag varende, uit de voeten te maken. Vanaf HMS ‘Garth’ afgevuurde granaten troffen de S 71, die vervolgens in brand vloog en tot stilstand kwam. De S 39 en S 76 wisten te ontsnappen.

Toen HMS ‘Garth’ de brandende S 71 naderde zag men op het achterdek, zo ver mogelijk van de vlammen, een groepje overlevenden staan die te kennen gaven van boord gehaald te willen worden. Vanaf HMS ‘Garth’ werd een sloep te water gelaten, die richting de S 71 voer. Op ca. 10 meter van het achterdek gekomen werd door één van de Britten in z’n beste Duits aan de zes bemanningsleden van de S 71 te kennen gegeven hun wapens weg te gooien, in het water te springen en naar de sloep te zwemmen. Eén Duitser waagde een poging en zwom naar de sloep. Toen hij aan boord was genomen en hem duidelijk was gemaakt dat hij nergens bang voor hoefde te zijn, schreeuwde hij naar zijn vijf achtergebleven maten dat ze zijn voorbeeld moesten volgen. Ook zij sprongen in zee en zwommen hun redding tegemoet. Eén van hen had de scheepshond van de S 71 bij zich. Een zevende Duitser die al eerder in het water was gesprongen werd eveneens door de sloep opgepikt. Intussen begon aan boord van de S 71 munitie te exploderen en de Britten, uit vrees dat de brandstoftanks eveneens zouden ontploffen, maakten zich zo snel mogelijk uit de voeten.

HMS ‘Montrose’

HMS ‘Garth’

De speciaal ter bestrijding van ‘Schnellboote’ geïnstalleerde éénloops 'QF 2-pounder', bijgenaamd ‘pom-pom’, op de boeg van HMS ‘Garth’. Mogelijk werd met dit geschut de S 71 in brand geschoten.

Drie geblinddoekte opvarenden van de S 71 worden in de haven van Harwich op de HMS ‘Garth’ door de militaire politie van boord geleid.

De ernstig gewonde opvarende van de S 71 verliet in Harwich de HMS ‘Garth’ per brandcard.

De zeven overlevenden van de S 71 verdwenen in krijgsgevangenschap. Hier wordt één van hen geblinddoekt door Britse militaire politie van boord de HMS ‘Garth’ geleid.

Om 02.00 u. was de reddingsoperatie beëindigd en had HMS ‘Garth’ zeven opvarenden, waaronder een ernstig gewonde, en de scheepshond van de S 71 aan boord genomen. De Duitse overlevenden gaven aan dat ze in ieder geval elf doden en twee zwaar gewonden in kritieke toestand, waaronder twee officieren, aan boord van de S 71 hadden achtergelaten.Terwijl de S 71 nog brandend ronddreef heeft de HMS ‘Garth’ haar geramd, waarna ze zonk. Bij daglicht inspecteerden Britse schepen de plek waar de S 71 was gezonken en troffen daar een grote olievlek, wat houten wrakstukken, waaronder een stuk van de boeg, en een Duitse vlag aan. De vlag werd uit het water gevist en meegenomen.

De zeven overlevenden van de S 71 werden door ‘HMS Garth’ in Harwich binnengebracht, aan de autoriteiten overgedragen en verbleven gedurende de verdere oorlogsjaren in krijgsgevangenschap. De hond werd door de bemanning van de ‘HMS Garth’ geadopteerd en vervolgde zijn leven in Brits ‘krijgsgevangenschap’ aan boord van de ‘destroyer’ luisterend naar de naam ‘Schnapps’.

Volgens een andere versie was het een van HMS ‘Montrose’ afkomstig projectiel dat de S 71 in de machinekamer trof, waarna brand uitbrak en het schip als verloren kon worden beschouwd. De genadeklap werd vervolgens uitgedeeld door HMS ‘Garth’, die de brandende houten romp van de S 71 ramde, waarna ze zonk. Voor deze lezing van de gebeurtenissen in de nacht van 17 op 18 februari 1943 werden overigens geen verdere concrete aanwijzingen gevonden.

Unaniem is men het er over eens dat de S 71 brandend ten onder ging. Het wrak ligt in positie 52o 26’N/ 02o, 05’O op de zeebodem; ca. 22 km ten oosten van Lowestoft.

Bemanningsleden van de HMS ‘Garth’ kort na het zinken van de S 71 met de door hen geadopteerde scheepshond van de ‘Schnellboot’, die zijn leven aan boord van de ‘destroyer’ vervolgde onder de naam ‘Schnapps’. Derde van links, met baard, Duncan Campbell. Hij zou de ‘pom-pom’ bediend hebben die de voor de S 71 fatale granaten afvuurde.

Onwetend van wat er precies met de S 71 was gebeurd legden de overige ‘Schnellboote‘ de mijnen en keerden vroeg in de morgen van donderdag 18 februari 1943 naar hun thuishaven terug. Toen bij daglicht de S 71 nog steeds niet in IJmuiden was teruggekeerd werden vliegtuigen er op uitgestuurd om naar de vermiste ‘Schnellboot’ te zoeken. Ze konden niets vinden. Later op de dag verordineerde ‘Führer der Schnellboote’ Rudolf Jasper Petersen hoogstpersoonlijk zeventien ‘Schnellboote’ van de in Nederland gestationeerde flottieljes naar de S 71 en eventuele overlevenden te zoeken. Ook zij keerden onverrichter zake huiswaarts. De actie van Petersen leverde hem een uitbrander op van zijn superieur Generaladmiral Wilhelm Marschall, bevelhebber van Marinegruppe West. ‘Schnellboote’ waren er om te vechten en geen reddingboten.

De Duitsers waren er dus niet van op de hoogte dat zeven van de zesentwintig bemannings- leden door de Britten waren gered en in krijgsgevangenschap verdwenen. Negentien opvarenden van de S 71 overleefden het niet. De Duitsers die met de S 71 ten onder gingen waren: commandant Obertleutnant zur See Rüdiger Suhr, Leutnant Helmut Otto, ObMach. Ernst Tober, MachObMt. Freitag, MaschMt. Reer, ObMt. Eberhard Kronke, MatrHptGefr. Willi Lissowski, FkObGefr. ?, FkObGefr. Hohmann, MatrObGefr. Arthur Arps, MatrObGefr. Kolbe, MatrObGefr. Naujoks, MatrObGefr. Paul Niechwiejczyk, MechObGefr. Zgolik, MaschObGefr. Meier, MaschObGefr Schilling, MatrGefr. Kracik en Matr. Lengert.(11)

Een groepsfoto aan boord van de HMS ‘Garth’ waarop ook ‘Schnapss’ niet mocht ontbreken.

Op het Hollandse strand aangespoelde bemanningsleden van de S 71

Op 9 april 1943 spoelden op het Noordwijkse strand drie stoffelijke overschotten aan en op 10 april nog één. De lichamen waren in vergaande staat van ontbinding, maar aan de hand van de kleding kon worden vastgesteld dat het Duitse militairen van de Kriegsmarine betrof. Op drie van de vier stoffelijke overschotten werd de Erkennungsmarke (EM) aangetroffen, hetgeen identificatie mogelijk maakte.

Op 9 april 1943 werd op het Noordwijkse strand bij kilometerpaal 77, ter hoogte van het huidige golfterrein, het lichaam aangetroffen van de zesentwintigjarige Matrose Obergefreiter Arthur Arps. Het stoffelijk overschot werd in opdracht van de Duitsers meegenomen naar Duindammerslag en daar, voorlopig, in de duinen neergelegd.
Dezelfde dag werd bij kilometerpaal 81, ter hoogte van het Wantveld, op het strand het stoffelijk overschot aangetroffen van de vijfentwintigjarige Matrose Hauptgefreiter Willi Lissowski. Evenals Arthur Arps was hij gekleed in een uniform van de Kriegsmarine, maar Lissowski had ook nog een zwemvest om. Beide lichamen zijn door strandvonder den Hollander ter plekke gekist en naar de Algemene Begraafplaats te Noordwijk gebracht. Eveneens op 9 april 1943 werd strandvonder den Hollander door de commandant van de ‘Grenzaufsichtstelle’ op de hoogte gesteld van een voor de Noordwijkse Zuidboulevard, bij kilometerpaal 83, aangespoeld stoffelijk overschot. In gezelschap van de politie ging de strandvonder en zijn personeel naar de aangewezen plaats en men trof daar het in vergaande staat van ontbinding zijnde lichaam van een Duitse onderofficier van de Kriegsmarine. Het lichaam werd ter plekke gekist en overgebracht naar de Algemene Begraafplaats te Noord- wijk. Op het lichaam werd een EM aangetroffen aan de hand waarvan later het stoffelijk overschot kon worden geïdentificeerd als de twintigjarige Obermaat Eberhard Kronke. Zaterdagochtend 10 april 1943 ontving de Noordwijke politie van de Ortskommandant te Noordwijkerhout de mededeling dat er wederom een stoffelijk overschot was aangespoeld, dit keer op het strand voor radiostation ‘Nora’, bij Langevelderslag. Ook dit keer bleek het te gaan om een militair van de Kriegsmarine. Op het in vergaande staat van ontbinding zijnde lichaam werden geen Erkennungmarke of andere herkenningtekens aangetroffen, waardoor identificatie niet mogelijk was en het stoffelijk overschot werd geregistreerd als dat van ‘een onbekende Duitse marinesoldaat’. Ook dit lichaam werd ter plekke gekist en overgebracht naar de Algemene Begraafplaats aan de Oude Zeeweg te Noordwijk.
De drie geïdentificeerde Duitsers bleken te behoren tot de bemanning van de in de nacht van 17 op 18 februari 1943 voor de Engelse oostkust ter hoogte van Lowestoft door de Britse ‘destroyer’ HMS ‘Garth’ tot zinken gebrachte ‘Schnellboot’ S 71.
Gezien de staat van het stoffelijk overschot, de plaats en het tijdstip van het bij ‘Nora’ aanspoelen van de ongeïdentificeerde Duitser van de Kriegsmarine ligt het voor de hand te veronderstellen dat ook hij tot de bemanning van de S 71 heeft behoord.
Op 22 april 12943 werden de vier op 9 en 10 april op het Noordwijkse strand aangetroffen stoffelijke overschotten van tot de Kriegsmarine behorende Duitse militairen overgebracht van Noordwijk naar het ‘Deutsche Kriegerfriedhof’ bij het ‘Groene Kerkje’ te Oegstgeest, waar ze op 23 april 1943 werden begraven. Op 10 en 12 mei 1948 zijn ze herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn (Limb.). De drie geïdentificeerde Duitsers liggen daar, naast elkaar, in de graven met nr. CV-10-226 t/m 228. In graf CV-10-229 ligt het stoffelijk overschot begraven van de onbekende Kriegsmarinesoldaat die op 10 april 1943 op het strand van Noordwijk voor radiostation ‘Nora’ is aangespoeld en hoogstwaarschijnlijk ook tot de bemanning van de S 71 behoorde.(12)
Op 8 of 15 april 1943 spoelden twee stoffelijke overschotten aan op het strand van Zandvoort. Na identificatie bleken het de volgende Duitse militairen van de Kriegsmarine te zijn: de negentienjarige Matrose Hauptgefreiter Wilhelm Galeman en de eenentwintigjarige Matrose Gefreiter Paul Niechwiejczyk. (13) Beide Duitsers behoorden eveneens tot de bemanning van de S 71.

Galeman en Niechwiejczyk werden op 21 april 1943 begraven op het voor de Kriegsmarine bestemde deel van de begraafplaats ‘Westduin’ te Den Haag. Ook deze twee ‘Matrosen’ zijn overgebracht naar de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn en daar op 8 oktober 1948 herbegraven in de graven met nummer BK-7-168 en 169. Als gevolg van het tot zinken brengen van de S 71 kwamen negentien Duitse militairen om het leven. Van hen zijn er in april 1943 vijf identificeerbaar aangespoeld op de stranden van Noordwijk en Zandvoort. Van de overige veertien opvarenden is geen graf bekend. Mogelijk zijn er meer opvarenden van de S 71 op de Hollandse kust aangespoeld. In de eerste plaats denken we dan aan de op 10 april 1943 bij Langevelderslag voor radiostation ‘Nora’ op het strand aangetroffen Duitser van de Kriegsmarine.

Op de Kriegsmarine afdeling van Begraafplaats ‘Westduin’ in Den Haag werd in maart en april 1943 één niet identificeerbare Duitser begraven, namelijk op 1 april 1943, in graf nr. 89. Het betrof een op 31 maart 1943 te Monster aangespoelde matroos. Gezien datum en plaats van aanspoelen van dit stoffelijk overschot en die van de bemanningsleden van de S 71 op 9 april te Noordwijk is niet uit te sluiten dat het hier ook een opvarende van de S 71 betreft. De op ‘Westduin’ in graf 89 begraven onbekende ‘Matrose’ werd op 8 oktober 1948 herbergraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn in graf BK-7-163. Er werden geen aanwijzingen gevonden dat begin april 1943 op de stranden van Scheveningen, Wassenaar en Katwijk ook stoffelijke overschotten zijn aangetroffen die tot de bemanning van de S 71 zouden kunnen behoren.(14)

Voor- en achterzijde van een zogenaamde Gräberkarte van Eberhard Kronke.

Grove schets van de boven- en onderstroom in het zuidelijk gedeelte van de Noordzee. Het wrak van de S 71 is gelokaliseerd in positie 52o 26’N/ 02o, 05’O , ca. 22 km ten oosten van Lowestoft. Waarschijnlijk zijn de in de nacht van 17 op 18 februari 1943 bij de zwarte stip verdronken bemanningsleden van de S 71 globaal volgens de route van de blauwe pijlen bij de Nederlandse kust beland, maar hun lichamen kunnen ook de route van de rode pijlen gevolg hebben.

De grafkaarten verstrekken soms essentiële informatie omtrent het overlijden van desbetreffende.

Het traject van de stoffelijke overschotten

Het is een intrigerende vraag welke route de stoffelijke overschotten van de in de nacht van 17 op 18 februari 1943 ter hoogte van Lowestoft verdronken Duitsers door de Noordzee hebben afgelegd alvorens ze in april 1943 op de stranden van Noordwijk en Zandvoort aanspoelden. Teveel veranderende factoren maken het onmogelijk om het traject dat een stoffelijk overschot van een drenkeling aflegt met zekerheid in kaart te brengen. De werking van eb en vloed veroorzaakt wisselende stromingen. De resultante hiervan is in de zuidelijke Noordzee een zeestroming, tegen de klok in, langs de kust van Engeland naar het zuiden en langs die van het vasteland naar het noorden. Aanhoudende stevige wind uit een bepaalde richting kan de zeestroming beïnvloeden. Er is zowel sprake van een bovenstroom aan het zeeoppervlak als een onderstroom, die beide niet in dezelfde richting hoeven te gaan.

Het is dus voor het traject dat wordt afgelegd van groot belang waar het lichaam zich in de waterkolom bevindt. Dat is wisselend. Na het verdrinken zinkt het lichaam naar de bodem. Als gevolg van het ontbindingsproces ontstaan in het lichaam gassen die het eerst doen zweven. Langzaam stijgt het lichaam naar het zeeoppervlak. De snelheid van deze verticale beweging is afhankelijk van het ontbindingsproces en de daarbij behorende gasvorming. In warm water gaat dat sneller dan onder koude omstandigheden. Het stoffelijk overschot bereikt uiteindelijk het zeeoppervlak, blijft een poosje drijven om daarna weer naar beneden te zakken en vervolgens voor onbepaalde tijd zwevend in het water de weg te vervolgen. In de zuidelijke Noordzee is een stoffelijk overschot dus steeds speelbal van wisselende zeestromingen afhankelijk van de plaats waar het zich bevindt, zowel geografisch als in de waterkolom.

De hoofdrichting van de reststroming in het zuidelijk gedeelte van de Noordzee is, zoals we zagen, tegen de klok in. Dat betekent dat een drenkeling aan de kust van het vastland noordelijk van de plaats van verdrinking zou moeten aanspoelen. Talloos zijn de voorbeelden waar het omgekeerde het geval is.
Ook de tijd tussen verdrinken en aanspoelen geeft een indicatie. Als vuistregel wordt aangehouden dat een stoffelijk overschot, gerekend over lange afstanden, hemelsbreed gemiddeld 10 km per dag met de zeestroming wordt meegevoerd. Ook dit is geen zekerheid. Er zijn voorbeelden bekend waarbij een lichaam minder per dag heeft afgelegd. Een lichaam kan, bijvoorbeeld, ook tijdelijk door een obstakel worden opgehouden. Kortom, onder het grootst mogelijke voorbehoud kan het traject dat het lichaam van een drenkeling door de Noordzee aflegt worden gereconstrueerd.(15)

Rekening houdend met alle voornoemde onzekerheden gaan we er vooralsnog van uit dat de lichamen van de verdronken bemanningsleden van de S 71 eerst met de zeestroming zuidwaarts zijn meegenomen, ter hoogte van het graafschap Suffolk met de onderstroom de Noordzee zijn overgestoken om vervolgens voor de Nederlandse kust uit te komen en op genoemde stranden aan te spoelen. Een tweede optie is dat de stoffelijke overschotten met de reststroom verder zuidwaarts zijn meegenomen, ter hoogte van het Thamesestuarium de Noordzee zijn overgestoken, richting België, en vervolgens verder noordwaarts zijn meegevoerd. Gezien de tijdsduur tussen verdrinken en aanspoelen moet met laatstgenoemde mogelijkheid serieus rekening gehouden worden.

Gedeelte van het politierapport dat werd opgesteld n.a.v. het aanspoelen van Willi Lissowski en Arthur Arps te Noordwijk op 9 april 1943

Een na de Tweede Wereldoorlog genomen luchtfoto van de haven van IJmuiden met in het midden de door Duitsers nooit afgebouwde Schnellbootbunker II. Schnellbootbunker I, aan het kopeinde van de Haringhaven, is dan reeds grotendeels gesloopt.

De tot het te Rotterdam gestationeerde 4. Schnellbootsflottille behorende S 204, van de S 100 klasse, na de Duitse overgave in de haven van Felixtowe op 13 mei 1945.

Naschrift

Het schrijven van deze monografie was niet mogelijk geweest zonder de medewerking en inbreng van Danny Hoek en Rinus Noort. Met name het gedeelte over het lot van de bemanning van de S 71 is gebaseerd op door Danny (Gräberkarteikarten) en Rinus (stukken uit het Noordwijkse politiearchief) aangedragen documenten. Graag wil ik ook Gert Overeem, senior GGP Nautisch, Team Maritieme Politie Bureau Vermiste Personen Noordzee, bedanken voor zijn informatie betreffende in zee verdronken personen en Lars Steenbeek, depot en collectiebeheerder van het Historisch Archief Westland, voor de door hem verstrekte documentatie betreffende een op 31 maart 1943 te Monster aangespoelde ongeïdentificeerde Duitser van de Kriegsmarine.

Verantwoording

Literatuur

– Baart, Jac. J., Schnellboote, operaties vanuit Holland, Vlaanderen en Frankrijk 1940-1945. Uitgeverij Lanasta, Emmen, 2006.

Noten

  1. Baart, Jac. J., Schnellboote, operaties vanuit Holland, Vlaanderen en Frankrijk 1940-1945. Uitgeverij Lanasta, Odoorn, 2006, pp. 11-15. .https://nl.wikipedia.org/wiki/Schnellboot ;https://de.wikipedia.org/wiki/Schnellbootverb%C3%A4nde_der_Reichs-_und_Kriegsmarine https://www.yachtforums.com/threads/oheka-ii-by-lurseen-yachts-22-5m-built-1927.146/
  2. Baart, Jac. J., Schnellboote , o.c., pp. 238-240.https://de.wikipedia.org/wiki/Schnellbootverb%C3%A4nde_der_Reichs-_und_Kriegsmarine
  3. Baart, Jac. J., Schnellboote , o.c., pp. 246-251.https://www.hitlersatlantikwall.nl/fotos/nederland/festung-ijmuiden/schnellboot-bunker/de-schnellbootbunker/
  4. Baart, Jac. J., Schnellboote , o.c., pp. 17-18, 232-236. ‘Springboeien’ worden in de literatuur ook wel aangeduid als ‘Sprengboyen’. http://www.s-boot.net/englisch/sboats-km-channel43.html
  5. Baart, Jac. J., Schnellboote , o.c., pp. 19-166. http://www.s-boot.net/englisch/sboats-km-channel42.html ; http://www.s-boot.net/englisch/sboats-km-channel43.html.
  6. Kenners onderscheiden een S 38 en een S 38b klasse. Het onderscheid is vooral zichtbaar aan de brug. Baart, Jac. J., Schnellboote , o.c., pp. 51 (foto), 62, 78, 225-237. http://www.s-boot.net/englisch/sboats-kriegsmarine-types.html ;http://shipbucket.com/forums/viewtopic.php?f=12&t=10315 ; https://wiki.warthunder.com/S-38 ;https://wiki.warthunder.com/S-38b.
  7. R. Suhr: geb. 09-07-1918, vermist 18-02-1943.
    https://www.historisches-marinearchiv.de/projekte/s_boote/lebenslauf_boot.php?where_value=64 https://www.historisches- marinearchiv.de/projekte/s_boote/lebenslauf_kommandant.php?where_value=204 .

  8. HMA (historisches-marinearchiv.de/projekte/s_boote/ausgabe.php?where_value=1263)
    ; HMA (historisches-marinearchiv.de/projekte/s_boote/ausgabe.php?where_value=1264 ) ; HMA (historisches-marinearchiv.de/projekte/s_boote/ausgabe.php?where_value=1265)
  9. https://en.wikipedia.org/wiki/Fairey_Albacore

In 1927 bouwde de Lürssen werf in Bremen voor de Joodse Duits-Amerikaanse investeringsbankier Otto Hermann Kahn de ‘Oheka II’. Dit jacht bereikte, dankzij het model en de drie motoren, een voor die tijd indrukwekkende snelheid van 34 knopen. Toen de Lürssen werf in 1929 de opdracht kreeg de eerste ‘Schnellboot’ te bouwen greep ze voor het ontwerp daarvan terug op de Oheka II.

  1. MGB staat voor Motor Gun Boat
  2. Baart, Jac. J., Schnellboote , o.c., p. 105.
    https://www.historisches-marinearchiv.de/projekte/s_boote/lebenslauf_boot.php?where_value=64; http://www.s-boot.net/englisch/sboats-km-channel43.html ; https://de.wikipedia.org/wiki/Schnellbootverb%C3%A4nde_der_Reichs-_und_Kriegsmarine#6._Schnellboot-Flottille ;
    http://www.wildfire3.com/garth.html en persoonlijke pagina’s van Fred Stokes: Fred Stokes (wildfire3.com) / http://www.wildfire3.com/fred-stokes-.html en Duncan Campbell: Duncan Campbell (wildfire3.com) / http://www.wildfire3.com/duncan-campbell.html
    Ook omtrent de locatie van het treffen tussen de S 71 en de Britse ‘destroyers’ bestaan in de literatuur verschillende lezingen. Zo zijn er beschrijvingen die de ondergang van de S 71 ten noorden van Sheringham situeren, terwijl de in J.J. Baart vermelde locatie van het wrak 20 km ten oosten van Lowestoft is. Beide zijn met elkaar onverenigbaar. Omdat de Britse ‘destroyers’ in de eerste plaats het konvooi van Harwich naar Great Yarmouth dienden te beschermen gaan we er vanuit dat de lezing van J.J. Baart het meest betrouwbaar is.
  3. Door agent van politie Imthorn handgeschreven rapport, te beginnen op 9 april 1943, opgemaakt dd. 12 mei 1943, over de vondst van de stoffelijke overschotten van Arthur Arps en Willi Lissowski en de verdere handelingen tot en met het overbrengen naar Oegstgeest. Door de politie van Noordwijk opgemaakt handgeschreven rapport, te beginnen op 9 april 1943, over de vondst van het stoffelijk overschot van een onbekende Duitse soldaat van de Kriegsmarine (Hij blijkt later Eberhard Kronke blijkt te zijn.) en de verdere handelingen tot en met het overbrengen naar Oegstgeest. Door de politie van Noordwijk opgemaakt handgeschreven rapport, te beginnen op 10 april 1943, over de vondst van een stoffelijk overschot van een onbekende Duitse soldaat van de Kriegsmarine en de verdere handelingen tot en met het overbrengen naar Oegstgeest. Door de politie te Noordwijk ingevulde formulieren ‘Staat van inlichtingen betreffende een te Noordwijk overleden/aangespoeld oorlogsslachtoffer’, betreffende een ‘Marine-Feldwebel’ (= Eberhard Kronke), aangespoeld 9 april 1943, opgemaakt 10 juli 1945; Arthur Arps, aangespoeld 9 april 1943, opgemaakt 10 juli 1945; Willi Lissowski, aangespoeld 9 april 1943, opgemaakt 10 juli 1945; onbekende marine soldaat, aangespoeld 10 april 1943, opgemaakt 10 juli1945.Geraadpleegd zijn scans van authentieke documenten, waarvan onbekend is in welk archief ze zich bevinden. Met dank aan Rinus Noort.
    Overlijdensakte 1943 nr. 32, betr. Willi Lissowski en akte nr. 33, betr. Arthur Arps. Erfgoed Leiden, Toegangsnr. 0900, inventarisnr. 2962. Digitaal: https://www.erfgoedleiden.nl/collecties/archieven/archievenoverzicht/scans/NL-LdnRAL-0900/2.2.6.1.14.16/start/70/limit/10/highlight/3 ; https://www.erfgoedleiden.nl/collecties/archieven/archievenoverzicht/scans/NL-LdnRAL-0900/2.2.6.1.14.16/start/70/limit/10/highlight/4 Gräberkarteikarten van Arthurs Arps, Eberhard Kronke en Willi Lissowski. Scans ontvangen van Danny Hoek, waarvoor dank.
    Website ‘Find A Grave’: https://nl.findagrave.com/memorial/67419640/eberhard-kronke ;https://nl.findagrave.com/memorial/67419593/arthur-arps ; https://nl.findagrave.com/memorial/67419556/willi-lissowski ;https://nl.findagrave.com/memorial/67419508/cv-10-229-ein_deutscher_soldat

‘Schnellboot’ S 12 en S 13. Beide behoorden tot de types van vóór de S 26 waarbij de torpedolanceerbuizen bovendeks waren geplaatst.

‘Schnellboote’ van de oudere types bij de ‘Lürssen Werft’ te Bremen

  1. De Gräberkarteikarten van Wilhelm Galeman en Paul Niechwiejczyk zijn niet eenduidig omtrent de datum van aanspoelen van beiden. De crèmekleurige kaarten vermelden 8 april, de turquoise kleurige kaarten 15 april 1943 als de datum waarop de stoffelijk overschotten op het strand werden aangetroffen. Tot op heden werden in Nederlandse archieven geen aanwijzingen gevonden voor de exacte datum. Het archief van de gemeentepolitie te Zandvoort bevat geen info omtrent het aanspoelen van de lichamen. Mail aan Jaap Plokker van Robert van Vuuren, medewerker Noord Hollands Archief, dd. 13-9-2021, die de volgende dossiers hierop heeft nagekeken: Noord Hollands Archief, archief van de Gemeentepolitie Zandvoort, Toegangsnr. 2231 , inv. nrs. 9, 210 en 211. Waarvoor dank.Ook in het Noord Hollands Archief, Toegangsnr. 18, inv. nr. 6979, inz. Stukken betreffende de voldoening via de Commissaris der Koningin door het ministerie van Binnenlandse Zaken van declaraties wegens het begraven van uit zee aangespoelde lijken van burgers en militairen, met gegevens over identificatie, 1851, 1912-1943, werd geen document aangetroffen dat betrekking had op te Zandvoort aangespoelde stoffelijke overschotten van Duitse militairen.
  2. Gräberkarteikarten van Wilhelm Galeman en Paul Niechwiejczyk. Scans ontvangen van Danny Hoek, waarvoor dank.
    Begraafplaats Westduin, Lijst van begraven Duitse militairen gedurende 1940-1945 – Marine Afdeling, graf nr. 89 (op 31 maart 1943 te Monster aangespoelde Duitser) en 93 en 94 (Te Zandvoort aangespoelde bemanningsleden Wilhelm Galeman en Paul Niechwiejczyk Archieven.nl – 0610-01 Gemeentebestuur Den Haag 1937-1952 (Haags Gemeentearchief)
    Website ‘Find A Grave’: https://nl.findagrave.com/memorial/76220420/wilhelm-galeman; https://nl.findagrave.com/memorial/76220439/paul-niechwiejczyk
    Op 31 maart 1943 werd op het strand van de gemeente Monster een onbekende Duitser aangetroffen gekleed in slechts een trui met een hakenkruis en een paar schoenen. Verdere info omtrent dit stoffelijk overschot werd in het archief niet aangetroffen. (Declaratie, dd. 25 mei 1943, betreffende het transport van een op 31 maart 1943 te Monster aangespoelde Duitser. Historisch Archief Westland, Archief gemeentebestuur Monster 1930 – 1980, inventarisnummer 1109.) Mail van Lars Steenbeek, depot en collectiebeheerder van het Historisch Archief Westland, aan Jaap Plokker, dd. 28 februari 2022. Met dank aan Lars Steenbeek. https://nl.findagrave.com/memorial/76220401/bk-7-164-ein_deutscher_soldat .
    Naast het op 10 april 1943 bij ‘Nora’ op het strand aangetroffen stoffelijk overschot van de Kriegsmarine lagen op de begraafplaats bij het ‘Groene Kerkje’, in graf 378 en 379, nog twee ongeïdentificeerde Duitsers begraven. Het betreft twee tot de Kriegsmarine behorende Duitsers die op 17 juni 1943 op het Noordwijkse strand werden aangetroffen en op 22 juni 1943 op de Duitse begraafplaats te Oegstgeest werden begraven. Ze zijn op 12 mei 1948 herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn in graf CV-10-230 en 231. De tijdspanne tussen de begin april aangespoelde Duitsers en deze twee is zo groot dat het uitgesloten moet worden geacht dat de op 17 juni 1943 op het Noordwijkse strand aangetroffen stoffelijke overschotten van de Kriegsmarine ook bemanningsleden van de S 71 zijn. (Overzicht met te Oegstgeest begraven Duitse militairen en Rapport van overbrenging Duitse militairen naar Ysselsteyn, Erfgoed Leiden e.o., Gemeentearchief Oegstgeest, 1931-1989, inv. nr. 1702)
    Wassenaarse strand: Hazenberg, F.R., e.a., Wassenaar in de Tweede Wereldoorlog, Uitgave Stichting Wassenaar 1940-1945, 1995, pp. 539-541.
    Katwijkse strand: Lijst met op de Algemene Begraafplaats te Katwijk aan Zee begraven Duitse militairen. Erfgoed Leiden e.o., Gemeentearchief Katwijk 1656-1931 inv. nr. 512.
    15. Mail, dd. 10-9-2021, van Gert Overeem, senior GGP Nautisch, Team Maritieme Politie Bureau Vermiste Personen Noordzee, Den Helder, aan Jaap Plokker.
    De genoemde 10 km per dag is een vuistregel, geen vast gegeven. Ter illustratie: De Brit John Clarke werd, waarschijnlijk, op 30 mei 1940 vanuit Duinkerken geëvacueerd en spoelde op 20 augustus 1940 aan op het strand van Katwijk. (81 dagen) (Rapport rechercheurs van politie L. de Jong en S. Brandsma, i.c. ‘Fransch militair’, dd. 16 april 1943. Scan ontvangen van Danny Hoek, herkomst onbekend. Correspondentie tussen ministerie van Oorlog en burgemeester Woldringh van der Hoop inz. te Katwijk begraven geallieerde militairen, dd. 13 juli, 13 en 21 november 1951, GAK 1946-1959, inv. nr. 636.)
    Een Avro Lancaster, met aan boord o.m. Alexander Boyd Mclelland, maakte in de nacht van 3 oktober 1943 een noodlanding in Het Kanaal op 25 mijl uit de kust voor Beachy Head (Eastborne), waarbij Mclelland verdronk. Zijn stoffelijk overschot spoelde op 1 december 1943 aan op het strand van Katwijk. (58 dagen) (Rapport rechercheurs van politie L. de Jong en S. Brandsma, i.c. A.B. Mac Lelland, dd. 12 april 1944. Scan ontvangen van Danny Hoek, herkomst onbekend. Website International Bomber Command Centre – Losses Database: https://losses.internationalbcc.co.uk/loss/115775/ )
    Op 13 juli 1940 stortte Leutnant Joachim Lange met zijn Me Bf 109 neer in Het Kanaal ten zuiden van Dover; op 16 augustus 1940 spoelde hij aan op het strand bij Katwijk. (34 dagen) (Gräberkarteikarte Joachim Lange)
    Op 9 september 1940 ontving het politiebureau te Katwijk om 08.00 u. een telefoontje uit Den Haag met de mededeling dat er in Scheveningen een Duitser tijdens het zwemmen was verdronken. Op vrijdagmorgen 13 september 1940 werd er om 07.00 u. in de dag/nachtrapporten van de Katwijkse gemeentepolitie opgetekend dat in de Uitwatering het stoffelijk overschot van een Duitser in zwembroek was aangetroffen. Vermoedelijk de te Scheveningen verdronken Duitser. (Tijdsduur tussen meldingen: 4 dagen; afstand tussen verdrinken en aanspoelen ca. 13 km) (Gemeentearchief Katwijk, politiearchief. Archief 0411, inv. nr. 7a. Erfgoed Leiden)

Illustraties

Titelpagina: ‘Schnellboot’ van de S 38 klasse op snelheid. Ontleend aan Internet https://nl.pinterest.com/pin/325174035598267622/

Bijlage – Omgekomen bemanning Schnellboot S 71

In de nacht van 17 op 18 februari 1943 als gevolg van het tot zinken brengen van de S 71 omgekomen Duitsers

In de nacht van 17 op 18 februari 1943 werd de Duitse Schnellboot S 71 door de Britse ‘destroyers’ HMS ‘Montrose’ en HMS ‘Garth’ voor de kust van Norfolk tot zinken gebracht, ter hoogte van Lowestoft. Van de 26 opvarenden werden er zeven door de Britten gered en krijgsgevangen gemaakt. Negentien Duitsers overleefden het niet. Achttien hiervan zijn bij name bekend. In april 1943 spoelden stoffelijke overschotten van Duitsers van de Kriegsmarine aan op de stranden van Noordwijk en Zandvoort. Vijf konden worden geïdentificeerd en bleken bemanningsleden van de S 71 te zijn. Een te Noordwijk aangespoelde niet identificeerbare Duitser van de Kriegsmarine was zeer waarschijnlijk ook een opvarende van de S 71. Van een op 31 maart 1943 te Monster aangespoelde Duitse ‘Matrose’ van de Kriegsmarine valt niet uit te sluiten dat ook hij tot de bemanning van de S 71 heeft behoord. Er werden geen aanwijzingen gevonden dat ook op de stranden van Scheveningen, Wassenaar en Katwijk mogelijke bemanningsleden van de S 71 zijn aangespoeld.

Bij het vergaan van de S 71 kwamen de volgende Duitsers om het leven: commandant S 71 Obertleutnant zur See Rüdiger Suhr, Leutnant Helmut Otto, ObMach. Ernst Tober, MachObMt. Freitag, MaschMt. Reer, ObMt. Eberhard Kronke, MatrHptGefr. Willi Lissowski, FkObGefr. ?, FkObGefr. Hohmann, MatrObGefr. Arthur Arps, MatrObGefr. Kolbe, MatrObGefr. Naujoks, MatrObGefr. Paul Niechwiejczyk, MechObGefr. Zgolik, MaschObGefr. Meier, MaschObGefr Schilling, MatrGefr. Kracik en Matr. Lengert.

Te Noordwijk en Zandvoort aangespoelde stoffelijke overschotten van bemanningsleden van de S 71

Naam

Geboren….

Overleden

Rang

EM…………………

Aangetroffen

1e Begraafplaats

2e.Begraafplaats

Opmerking

Arps, Arthur
9-1-1917
18-2-1943
Obergefreiter
O 3908/38 S
Aangespoeld te Noordwijk op 9 april 1943 bij paal 77 (ter hoogte van het huidige Golfterrein)
Overgebracht naar de Algemene Begraafplaats, Oude Zeeweg, te Noordwijk. Op 23 april 1943 begraven op de begraafplaats bij het ‘Groene Kerkje’ te Oegstgeest
Op 10 mei 1948 herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn in graf CV-10-227
Galeman, Wilhelm
14-4-1923
18-2-1943
Obergefreiter
O.N. 8526/40 T
Aangespoeld te Zandvoort op 8 april 1943, mogelijk 15 april 1943
Op 21-4-1943 begraven op het marinedeel van de begraafplaats Westduin te Den Haag in graf 93
Op 8 oktober 1948 herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn in graf BK-7- 168
Op de grafkaarten worden twee verschillende data van aanspoelen vermeld: 8 en 15 april 1943
Kronke, Eberhard
4-9-1922
18-2-1943
Obermaat
0618/41 Kt
065276 M
Aangespoeld te Noordwijk op 9 april 1943, bij paal 83 (voor de Zuid Boulevard)
Overgebracht naar de Algemene Begraafplaats, Oude Zeeweg, te Noordwijk. Op 23 april 1943 begraven op de begraafplaats bij het ‘Groene Kerkje’ te Oegstgeest
Op 10 mei 1948 herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn in graf CV-10-226
Lissowski, Willi
28-12-1917
18-2-1943
Hauptgefreiter
N 3661/38 I
Aangespoeld te Noordwijk op 9 april 1945 bij paal 81 (ter hoogte van het Wantveld)
Overgebracht naar de Algemene Begraafplaats, Oude Zeeweg, te Noordwijk. Op 23 april 1943 begraven op de begraafplaats bij het ‘Groene Kerkje’ te Oegstgeest
Op 12 mei 1948 herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn in graf CV-10-228
Niechwiejczyk, Paul
18-1-1922
18-2-1943
Gefreiter
O 6745/41 S
Aangespoeld te Zandvoort op 8 april 1943, mogelijk 15 april 1943
Op 21-4-1943 begraven op het marinedeel van de begraafplaats Westduin te Den Haag in graf 94
Op 8 oktober 1948 herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn in graf BK-7- 169
Op de grafkaarten worden twee verschillende data van aanspoelen vermeld: 8 en 15 april 1943
Onbekende Duitse soldaat van de Kriegsmarine
Aangespoeld te Noordwijk op 10 april 1943, op het strand voor het radiostation ‘Nora’ bij Langevelderslag
Overgebracht naar de Algemene Begraafplaats, Oude Zeeweg, te Noordwijk. Op 23 april 1943 begraven op de begraafplaats bij het ‘Groene Kerkje’ te Oegstgeest
Op 12 mei 1948 herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn in graf CV-10-229
Hoewel niet een aan- toonbaar bemanningslid van de S 71 wijzen datum en locatie van aanspoelen, het uniform van de Kriegsmarine en de staat van het lijk er op dat dit hoogstwaarschijnlijk een bemanningslid van de S 71 zou kunnen betreffen.

Niet als bemanningslid van de S 71 volledig uit te sluiten, aan de Hollandse kust, aangespoeld stoffelijk overschot.

Naam

Geboren….

Overleden

Rang

EM…………………

Aangetroffen

1e Begraafplaats

2e.Begraafplaats

Opmerking

Onbekende Duitse soldaat van de Kriegsmarine
‘Matrose’
Aangespoeld te Monster op 31 maart 1943
Op 01-04-143 begraven op het marinedeel van de begraafplaats Westduin te Den haag in graf 89
Op 8 oktober 1948 herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats te Ysselsteyn in graf BK-7-164
Hoewel niet een aan- toonbaar bemanningslid van de S 71 sluiten datum en locatie van aanspoelen, niet uit dat dit bemanningslid van de S 71 zou kunnen betreffen.