Een goed gevoel…

Een goed gevoel…

Kontakt – dorpsblad Zeilberg, Juli 2009 (Jaargang 26 Nummer 7)

Zondag 24 september 1944; een zonnige dag. Het was mooi weer toen ik als kleine jongen bij ons voor het huis stond en de eerste Engelse tanks de Zeilberg binnen zag rijden. Vanaf de Snoertsebaan kwamen ze en ze reden richting het dorp. Op de eerste tank stond met krijtletters geschreven “Groeten uit Liessel”. Toen de eerste tanks voorbij waren en zo ongeveer het dorp moeten hebben bereikt, hoorden we een enorme knal. Mijn vader maakte zich behoorlijk zorgen, omdat mijn moeder naar de kerk was.

Even voor de middag kwam mijn moeder thuis, hevig ontdaan over wat ze allemaal had meegemaakt. Ze vertelde ons dat, toen de H. Mis uit was en ze met enkele anderen huiswaarts keerde, een Duits voertuig aan kwam rijden. Ze werden door deze Duitsers gewaarschuwd dat ze dekking moesten zoeken. Even later, toen ze met z’n allen veilig in de kelder zaten, hoorden ze een enorme knal. Toen na een uur alles weer rustig was, konden ze huiswaarts keren. Op weg naar huis zagen ze het resultaat.

Het voertuig waarop de Duitsers zaten, was door een voltreffer afgevuurd door een van de Engelse tanks geraakt. Alle Duitsers, zes in getal, waren op slag dood. Bij het voorbijgaan dacht mijn moeder: “Aan deze mensen heb ik te danken dat ik nog leef en nu zijn ze zelf dood”.

Op 20 augustus 1947 werden de zes soldaten opgegraven en naar het Duits oorlogskerkhof in Ysselsteyn overgebracht. Allen werden ze begraven als “ein Deutscher soldat”. Drie van hen konden later nog worden geïdentificeerd, maar de andere drie zijn nog steeds naamloos.

Zestig jaar na dato vond ik op het archief een brief van een verontruste moeder uit het Duitse Bellstedt, een plaatsje van 900 inwoners in de deelstaat Thur in het midden van Duitsland. Zij vroeg in de brief ondermeer of er op het kerkhof van Zeilberg ene Hermann Junge, geboren op 17 juli 1926, begraven lag. Zij had van zijn “Batteriechef” vernomen dat haar zoon op 24 september 1944 in Zeilberg als vermist was opgegeven. Sinds die tijd had ze geen levensteken van haar 18 jarige zoon meer vernomen. Graag zou zij inlichtingen willen vernemen, zodat ze het graf van haar zoon kon bezoeken. Helaas, tot op de dag van vandaag is het graf nog steeds onbekend.

Ik ben op zoek gegaan naar soldaten die in Zeilberg zijn gesneuveld. Vijftien veldgraven heb ik kunnen ontdekken via het archief van Deurne. Na veel speurwerk ben ik achter de namen van deze soldaten gekomen. Mijn belangstelling ging het meest uit naar de zes gesneuvelden die waren begraven nabij het erf van Lambert van den Broek. Drie van deze namen waren me bekend, n.l. Theodorus Reuser, Heinz Braun en Helmuth Fink. De andere drie waren onbekend. Zou één van die drie Hermann Junge zijn?

Via Richard Schoutissen, die al jaren goed werk levert om de namen van gesneuvelde militairen op te sporen, kwam ik in contact met een zoon van een van de zes soldaten van het Duitse voertuig. Het was Martin Reuser en hij bleek een Nederlander te zijn. Hij dacht dat zijn vader was gesneuveld ergens in Limburg.

Samen zijn we naar de plek gegaan waar zijn vader op die 24e september is gesneuveld en ik kon hem de juiste plek aanwijzen. Daar werd hij ook tijdelijk begraven. Vol emotie zei hij: “Eindelijk heb ik de plek gevonden waar ik jarenlang naar heb gezocht. Ik wilde dat weten want het is en blijft mijn vader.”

Hij begon het verhaal te vertellen over zijn jeugd. Zijn ouders waren beiden lid van de NSB. “Ik heb mijn vader nooit gekend. Hij is gesneuveld ergens in Limburg, althans, dat werd aangenomen. Mijn moeder is hertrouwd en ze heeft er nooit over willen praten. Ik heb de trouwfoto ook nooit gezien. Over mijn vader werd niet meer gepraat. Mijn moeder zei alleen dat zijn hele familie niet deugde en dat hij haar meegesleept had. Terwijl ik er later achterkwam dat vooral in háár familie veel NSB’ers waren. In elk geval, haar vader en haar broer en andere familieleden sympathiseerden met de beweging.

Daar kwam ik achter toen ik een jaar of 15 was. Ik ben, toen ik ouder was, naar mijn grootouders van vaderskant in Tiel geweest. Ze schrokken zich rot omdat ze me helemaal niet kenden. Ik werd door mijn moeder bij hen weggehouden. Ik had een rotjeugd. Opgevoed zonder vader en met een moeder die ook een vreselijk leven heeft gehad; ze heeft een kind vroeg af moeten geven -het was nog maar drie jaar oud-. Na de oorlog hebben ze mijn moeder kaalgeschoren. Ze heeft jarenlang voor straf in een kamp gezeten en werd met de nek aangekeken. Ik zat in die tijd, met mijn twee zussen, in een internaat. Mijn moeder hertrouwde en we kwamen weer thuis. Een vreemde man en een moeder die voor mij ook vreemd was.

Wat ons gezin nog meer ontwrichtte, was het ongeluk met mijn halfbroertje. Ik had mijn broertje van zeven maanden op schoot. Hij trok aan het oliestel waar een ketel hete thee op stond. We kregen beiden kokend water over ons heen. Daar is hij aan overleden. Het is naar mij toe nooit meer goed gekomen. Na jaren wil je toch de waarheid weten. Ik kon pas terecht in de archieven van Binnenlandse zaken na het overlijden van mijn moeder. Ik heb de dossiers ingezien, maar het was minimaal. Een enkele foto van mijn vader in uniform. Maar nu ik hier op deze plek sta, is mijn zoektocht voorbij. Ik weet nu op welke plek mijn vader is gesneuveld en ook weet ik de toedracht.”

“Ja”, zei hij, “mijn vader was zwaar fout, maar het is en blijft je vader”. Waarop ik zei: “Ondanks dat hij zwaar fout was, heeft hij de laatste minuten van zijn leven nog een goede daad verricht. Hij heeft, samen met zijn maten, de kerkgangers, waaronder mijn moeder, gewaarschuwd voor het nodige gevaar, zodat zij nog veilig de schuilkelder konden bereiken!”

Hij gaf mij heel geëmotioneerd een hand. Ik zag aan hem dat dit hem goed deed.

Hij vertrok, samen met Richard Schoutissen, naar Ysselsteyn om het graf van zijn vader te bezoeken. Ik keerde weer huiswaarts, met de gedachte dat ik een kind van foute ouders, door mijn speurtocht een goed gevoel heb gegeven.