In 2011 kwam ik in contact met mevrouw  G.M. (Greetje) Wiekeraad-Lagendijk wiens gezin, na de dood van haar vader in Juni 1944, werd “verdeeld” onder de familie. Haar moeder ging voor zes weken naar een rusthuis in Ermelo waar ze haar zevende kind ter wereld bracht.

Intussen werd Greetje ondergebracht bij familie in de Neerkant, dit verblijf was oorspronkelijk voor een periode van ongeveer vier weken maar door de spoorwegstaking, wat later mogelijk haar redding bleek te zijn, kon ze niet terug naar Rotterdam.

Door het oorlogsgeweld in de Neerkant moest het gezin vluchten en na enkele omzwervingen in de regio kwam Greetje uiteindelijk bij haar tante terecht die in een Wehrmachtshuisje aan de Padbrugseweg in Deurne woonde.

Richard Schoutissen, Stichting Oorlogsslachtoffers

.

Herinneringen, op schrift gesteld door mevr. Greetje Wiekeraad-Lagendijk, in september 2011. 

In 1944 ging ik voor 4 weken naar de Neerkant, een klein dorp in de buurt van Deurne. Daar woonden vrienden van tante Marie, een zus van mijn moeder. Met opa Vinke in de trein vanuit Rotterdam, bij de Moerdijkbrug moesten alle ramen dicht zodat niemand iets kon zien van de verdedigingswerken welke daar zouden zijn. Er werd water tegen de ramen gespoten, zo liet je het wel uit het hoofd om de ramen niet te openen. In Deurne moesten we een uur lopen om bij het huisje van tante Marie en oom Evert te komen. Opa nam een stevige stok en hing daar mijn koffer aan, slim hoor! De andere dag, een zondag, brachten ze mij naar de Neerkant op de fiets. het was een heerlijke rustige tocht en na een tijdje kwamen we er aan. Tante Drika en oom Leo waren heel vriendelijk en we hebben er gegeten. Oom Leo was aan het werk in de moestuin. Ik moest een beetje huilen, O, maar jij went hier wel. Nu, dat klopte wel. Riek was 8 jaar, maar we konden goed opschieten met elkaar. Jan was 6 jaar en erg ondeugend. Dan had je nog Mia, zij ging op zondag altijd naar het Lof. Dan was er Anneke van 3 jaar en Leentje van 1 jaar, die zat nog in de box en was natuurlijk ook niet zindelijk. regelmatig riep tante Drika, O, nu heeft ons Leen weer in de bóks gescheten. En ik zag niks in de box liggen. Na een paar dagen kreeg ik door dat een broek of luier ook een bóks was. Dat raadsel was opgelost.

Ik heb er een fijne tijd gehad en voelde mij weer kind. We speelden veel buiten. Gingen ook naar de familie van tante Drika, tante Toos en tante Anna. Alles op loopafstand, Riek had ook een vriendinnetje, Zus Linden. Haar vader was hoofd onderwijzer van de dorpsschool in de Neerkant. Ik heb er ook fietsen geleerd en was er niet meer af te slaan. We fietsten naar het kanaal van Deurne wat ongeveer een half uurtje fietsen van het huis van de familie van der Steen was. Het huis was van oorsprong de melkfabriek. In deze tijd was hij niet in gebruik dus werd het gebouw als huis gebruikt om te eten en te koken. In het huis wat er bij hoorde waren de huiskamer en de slaapkamers, ik sliep beneden en de familie van der Steen boven.
Als de Engelsen overvlogen moesten wij ons bed uit, dat vond ik maar niks. In Rotterdam deden wij het alleen maar als er vreselijk geschoten werd. Ik was het veel erger gewend maar ik paste mij aan en dat was ook beter.

Ik heb er een leuke tijd gehad en was weer kind. Ik was 12 jaar en Riek, de oudste, 8. Jan was 6, Mia ruim 4 en dan kwam Anneke van 3. De jongste was Leentje, die lag nog in de box. Ik trok veel met Riek op en met haar vriendinnetje Zus Linden. Zus had een broer Gérard, die Gérard maakte een bidprentje voor mij:

”Heden overleed onze dierbare Greet,
Haar laatste kreet
was een knetterende scheet,
Die van de beddenplank gleed,
En tegen de muur aanbonsde,
En in de pispot plonsde,
In een wijde boog
de raam uitvloog,
En op de wolken gezeten,
Keihard zat te zweten”

Gérard

.

Ook heb ik daar fietsen geleerd, Riek en ik fietste wat af. Op een warme dag reed Riek in een graaf, dat is een droge sloot. We zouden het niet vertellen maar het nieuws was al bekend toen we thuis kwamen. Veel drukte werd er niet over gemaakt gelukkig. Dus we zijn lekker doorgegaan met fietsen, ik vond het heerlijk.

Toen er sprake was dat de familie een protestants meisje uit Rotterdam als logé zou krijgen moest het wel even aan de pastoor gevraagd worden. Gelukkig vond hij dat ook mensen van een ander geloof geholpen moesten worden. Vrij modern inzicht dus voor zo’n dorpspastoor.

Ik heb het er heel goed gehad, eten was er genoeg. De eerste dagen at ik alleen maar wittebrood met roggebrood erop. Dat was ook lekker ontdekte ik gauw. Oom Lé verdween regelmatig achterin de fabriek op bepaalde tijden, daar stond een radio die iedereen eigenlijk in had moeten leveren. Dan vroeg tante Drika wat ze in ‘t fabriek te vertellen hadden. Ze luisterden dus naar een Engelse zender, ik vond dat griezelig want dat mocht niet natuurlijk. De zender werd dan ook erg gestoord door de Duitsers. In die tijd werd Duitsland veel gebombardeerd, dan moesten wij de kelder in en dat vond ik maar niks. In Rotterdam kwamen ook elke nacht vliegtuigen over maar we konden niet de kelder in, simpelweg omdat we er geen hadden. De vliegtuigen gooiden ook zilverpapier uit, wat wij gingen zoeken in de bossen. Later werd mij verteld dat het uitgooien van zilverpapier tot doel had de radar van de Duitsers te verstoren, de bossen lagen er vol van.

Oorspronkelijk zou ik eind augustus weer naar huis gaan maar begin september kwam de spoorwegstaking en dus kon ik niet terug. Ik kan me niet herinneren dat ik het erg vond. Het was daar goed van eten en drinken, en heel fijn! Achteraf maar goed ook.

In die tijd kwam er op een zondag een pantserdivisie door de Neerkant. Bij de draai in de weg was het asfalt helemaal verrot gereden, er waren grote putten in het asfalt. De tanks waren helemaal gecamoufleerd met groen en takken. Ook waren er Engelse vliegtuigen in de lucht. De bomen waren in die tijd nog helemaal vol in blad en de hele weg was vol met bomen aan allebei de kanten van de weg.

Maar ik vergeet toch niet die angstige gezichten van de Duitsers in de tanks. 2 buurmeisjes van een jaar of 18 stonden demonstratief in de lucht te wijzen, ik voelde mij daar niet happy bij. Gelukkig is er niets gebeurd. We moesten ook binnen komen van tante Drika, daar was ik heel blij om.

En toen kwam Dolle Dinsdag dat was, naar later bleek het begin van de hongerwinter in het westen en van een oorlog in het zuiden van het land. De Engelse trokken heel snel op en er gingen geruchten dat ze al in Breda waren. Dan kun je misschien wel weer gauw naar huis toe, zei oom Lé tegen mij. Dat bleek later nog een hele winter te duren, de hongerwinter.

Na 6 weken in de kelder geslapen te hebben en veel geschiet op de dag en de nacht moesten we op 26 oktober vluchten, we zijn naar Asten gelopen. De Duitsers zaten achter het Deurnes kanaal en waren een soort offensief begonnen. Als we buiten kwamen werd er op ons geschoten vanuit de kerktoren en de mortieren waren altijd gericht tussen de kerktoren en de fabrieksschoorsteen. Wij woonden naast de melkfabriek, die was niet meer in gebruik en was verplaatst naar Meijel waar oom Lé ook werkte. De Engelse tanks stonden tegen de huizen, dat was eigenlijk heel gevaarlijk. In de nacht kwamen de Duitse patrouilles over het kanaal en gooiden soms pantservuisten om de tanks onklaar te maken. Oom Leo heeft toen gevraagd of ze die wilden verplaatsen, dat is toen ook gebeurd. Na 6 uur mochten we het erf niet meer af. Dat was streng verboden omdat de boobytraps op scherp werden gesteld. Dit om de Duitsers af te schrikken, als ze in de nacht zouden komen.

Waar vroeger de melkbussen op gezet werden, dus een verhoging, lagen in die weken altijd Engelse soldaten onder. Die zongen liedjes als; ice-cream enzovoort, dat was best leuk.

Wij sliepen in de kelder, 2 eenpersoonsbedden dwars naast elkaar. Daar sliepen Riek en ik op, samen met Tina en Lies Rooyakkers. Die familie woonde tegenover ons maar hadden geen kelder. Zo hielpen de mensen elkaar, we zijn ook met hen gevlucht. Er waren ook nog 3 oude mensen die naast ons woonden en een postkantoor hielden. Dora, Nella en Frans, Maria was er in de oorlog van 1914-1918 in huis gekomen en altijd daar gebleven. Als er geschoten werd moesten wij op de grond gaan liggen. Er werd geschoten en de oudjes konden niet meer overeind komen. Gelukkig is dat maar één keer voorgekomen. Ze zijn ook niet helemaal naar Asten gegaan, net als wij. Onderweg zijn ze bij kennissen achtergebleven.

De tweede dag zijn we nog verder gelopen tot Brouwhuis, daar stond een molen waar we mochten overnachten. Het was een hele invasie, we waren nog met 15 mensen. Er was boven Helmond die eerste avond een luchtgevecht, de hemel was vol met lichtkogels. Een prachtig gezicht, jammer dat het oorlog was. Na drie dagen heeft Wil Rooyakkers mij naar tante Marie in Deurne gebracht, helemaal gelopen. Daar ben ik goed ontvangen. Mijn broertje Kees was daar ook al, leuk om hem weer te zien. Tante Marie woonde in een huisje waar afweergeschut bij gestaan had. Opa Vinke was er ook, ik heb het er goed gehad. Honger en kou heb ik niet gehad, zoals de mensen in het westen. We stookten turven kookten ook op een fornuis. opa Vinke ging melk halen bij boeren in de omgeving, bij de familie Vogels en Nooyen. Bij de laatste ging opa ook zakken herstellen en zat dan te zingen, dat vonden die mensen prachtig. Hij mocht ook mee eten, die mensen hadden nog genoeg te eten. Tante Marie had veel boeken, schoolboeken, ik heb ze allemaal gelezen. In het voorjaar ging ik ook af en toe melk halen en maakte zo kennis met verschillende boeren uit de omgeving. Ook ging ik naar Grad en Miet Vogels, dat was heel gezellig. Hanneke kwam soms ook en dat was voor mij heel leuk om jonge mensen te zien en weer eens lekker te kletsen. Ik kreeg dan chocolademelk. Dat vertelde ik tegen tante Marie, die vond dat niet zo prettig maar ik wel. Tante Marie wilde een keer naar Brouwhuis. Ik moest naar Miet om de fiets te vragen en ik zei heel netjes; of mevrouw Gadella de fiets mocht hebben, ze moet naar Brouwhuis toe. Dat werd mij nog jaren verteld als ik er nadien in de zomer ging logeren.

Ook moest ik naar de Engelsen met eieren. ”You please some eggs” vragen ? Dan ruilen voor petroleum. In het begin hadden we geen elektriciteit. Ik heb daar ook nog steenpuisten gehad, dat kwam waarschijnlijk door het eentonige eten. Ik vond het best lekker, we aten veel peulvruchten. maar echte frisse groenten of fruit was er niet. Ook had ik een ontsteking aan mijn vinger, de dokter was een uur lopen naar het dorp. Hij heeft het opengesneden met een scherp mesje en ik moest zelf het bakje vasthouden. Ik huilde niet en kreeg een complimentje van de doktor, omdat ik zo flink was. Ik had wel gezegd dat ik het eng vond! Jij komt zeker uit Rotterdam? vroeg hij aan mij. In het voorjaar bloeiden de margrieten en vroeg tante Marie of ik een bos wou plukken. Nu was ik dat helemaal niet gewend om zomaar bloemen te plukken en voelde mij aardig opgelaten, toch maar gedaan natuurlijk. Ik was een gehoorzaam kind. We hebben ook veel gebreid, daar was tante Marie een kei in. Voor opa kon ik sokken breien, dat heb ik daar geleerd. Voor Kees hebben we twee truien gebreid van uitgetrokken wol. Dat was een pakje wat moeder met Keesje meegegeven had, zo had je er niets meer aan. Er is nog een foto waar Bas en Kees op staan met die bewuste truien aan. Ze waren lichtblauw. In december hebben we nog benauwde uren gekend. Op 16 december opende de Duitsers een offensief in de Ardennen. Ik weet nog dat ik een rood kooltje bij het konijnenhok moest halen. Ik ben maar blijven zitten tussen het hok en de regenton tot het luchtgevecht voorbij was. De Duitse vliegtuigen gingen zo laag over de Peel. Het is daar erg vlak en om het afweergeschut van de Engelse te ontlopen vlogen ze verschrikkelijk laag. Ik ben nog dankbaar dat ik die periode niet in Rotterdam was ! Dat heeft zo moeten zijn. Ons hele gezin was uit elkaar en achteraf bezien hebben we het daardoor overleefd!

Keesje, Greetje en Eefje.
Bij gebrek aan een slee werd een ‘hobbelpaard’ gebruikt.

Voormalig Wehrmachtshuisje aan de Padbrugseweg (1944),
hier verbleef Greetje bij haar tante.