Adrianus Wouterus van de Bogaart (Alias: Toon. Schuilnaam: Johannes van den Kerkhof), °26 februari 1922 te Deurne,  † 3 februari 2002 te Almelo.


Aan het begin van de Duitse bezetting was Adrianus Wouterus van den Bogaart, toentertijd wonende bij zijn ouders aan de Drietipstraat 22 te Helmond, werkzaam als metselaar maar zo nu en dan zat hij ook zonder werk. Toon was niet politiek gekleurd en ook geen lid van de Nationale Socialistische Beweging (N.S.B.) In 1942 gaf hij gehoor aan zijn oproep voor de arbeidsdienstplicht bij de Nederlandse Arbeidsdienst (N.A.D.) Door de arbeidsdienst werden “tot algemeen nut strekkende publieke werken verricht” en als arbeidsman werkte hij onder anderen bij het aanleggen van wegen en kanalen. Na vijf en een halve maand, toen zijn verplichte tijd bij de N.A.D. er op zat, tekende hij niet bij maar ging weer naar zijn ouders waar hij ongeveer 3 maanden werkloos verbleef totdat hij opgeroepen werd voor arbeidsinzet (Arbeitseinsatz).

De Arbeitseinsatz was voornamelijk bedoeld om buitenlandse arbeiders uit de Duitse bezette gebieden in te zetten voor de oorlogsindustrie. Toon wilde beslist niet naar Duitsland, raakte in paniek door een herhaalde oproep en informeerde bij de N.A.D. wat zijn eventuele opties waren om maar niet in Duitsland te hoeven werken. Mogelijk probeerde hij alsnog bij te tekenen zodat hij in Nederland kon blijven maar naar alle waarschijnlijkheid werd hem door de medewerker van de N.A.D. geadviseerd om zich als vrijwilliger bij de Waffen-SS te melden met de kans dat hij toch in Nederland zou kunnen blijven. Mogelijk werd hier het in januari 1942 opgerichte SS-Wachbataillon Nordwest bedoeld die onder anderen de taak had op de buitenbewaking van concentratie- en interneringskampen in Nederland op zich te nemen.

Op 16 november 1942 melde Toon zich dan ook als vrijwilliger bij de Waffen-SS, een gewaagde keuze aangezien hij nu ook de kans liep om naar het Oostfront te worden gestuurd.

Op 29 november 1942 begon een korte training van drie dagen in Den Haag, kreeg hij zijn uniform en werd in een ziekenhuis in Den Bosch geplaatst. Hij had geen militaire training genoten en aan de binnenzijde van zijn linker bovenarm werd zijn bloedgroepteken getatoeëerd. Toon kreeg zo nu en dan kort thuisverlof maar probeerde altijd te verschijnen zonder zijn uniform. Als hij in uniform was, wachtte hij tot het donker was en deed het uit als hij thuiskwam. Eenmaal met verlof droeg hij een geweer, maar dit was hoogst ongebruikelijk. Omdat Toon zich had aangemeld als vrijwilliger in Duitse dienst ontving zijn moeder geld en extra kolen.

De spanning werd hem in juni 1944 te veel en besloot hij uit het ziekenhuis te vluchten om met zijn vriendin te gaan onderduiken in Almelo. Zij kwamen echter maar tot Nijmegen, Toon werd gearresteerd en voor Arbeitseinsatz naar Arhaus in Duitsland gestuurd, hetgeen hij in eerste instantie probeerde te vermijden. Maar ook hier kreeg Toon de kans om aan de Duitsers te ontsnappen en dook met zijn vriendin alsnog onder in Almelo.

In januari 1945 werd het hem in Almelo te heet onder de voeten en ging hij naar Wierden om zich bij een boer te gaan verstoppen, niet veel later werd de boerderij doorzocht en omdat Toon (als schuilnaam; Johannes van den Kerkhof) geen geldige papieren kon laten zien werd hij naar de gevangenis in Almelo gebracht. De volgende dag werd hij afgevoerd naar Gronau in Duitsland maar het geluk was wederom aan zijn zijde want de volgende al kreeg hij de kans om uit de handen van de Duitsers te blijven en vluchtte hij weer naar Nederland, terug richting Wierden. Wederom dook hij onder bij een boer, dit was in de boerderij van familie Roelofs op de Burgemeestersdijk 14 in Notter (een buurtschap in de gemeente Wierden). Hij verbleef bij de familie Roelofs tot december 1945 maar wist tijdens die periode zo nu en dan zijn ouders in Helmond te bezoeken.     

Op 5 januari 1946 vestigden Toon en Harmke zich in Almelo (Kalkovenweg 17) en niet veel later reageerde Toon op een advertentie in de krant naar een baan als verpleger/conciërge in het Volkssanatorium te Hellendoorn waarvoor hij aangenomen werd. Op 5 april werd Toon in Hellendoorn gearresteerd door de politie van Almelo en werd hij gevangen gezet. Vanuit zijn gevangenschap in Almelo werd hij op 12 april 1946 door een rechercheur overgebracht naar Kamp Vught voor internering waar hij op 17 april wordt ondervraagd door de politieke recherche Helmond. Op een notitie van 25 februari 1947 aan de Politieke Recherche Afdeling (P.R.A.) te Eindhoven staat te lezen dat Toon veroordeeld werd voor 2.5 jaar opsluiting in Kamp Vught. Toon heeft tijdens zijn gevangenschap echter ook enige tijd in het strafkamp voor “foute Nederlanders”, mijnkamp Julia te Eygelshoven, gewerkt.

Op 26 januari 1948 krijgt Adrianus Wouterus van den Bogaart een voorwaardelijke vrijlating en werd Kapelaan Hansen benoemd om als “reclasseringsambtenaar” op te treden. Gedurende deze periode moet hij bij zijn ouders (Drietipstraat 22 te Helmond) wonen, werk zoeken en wegblijven bij vroegere vrienden die een slechte invloed op hem zouden kunnen hebben. Hij gedraagt zich prima, hij houdt zich aan de grenzen van zijn voorwaardelijke vrijlating en er is een stabiele gezinssituatie.

Op 24 april 1948 stappen Toon en Harmke in het huwelijksbootje en trouwen ze in Helmond, ze wonen met zijn allen in een klein huis en Harmke worstelt met het feit dat Toon staatloos is. Ze verhuizen op 10 juli 1948 terug naar Almelo (Kalkovenweg 17) en op 24 maart 1949 krijgen ze een dochtertje genaamd Maria Christina. Toon gedraagt zich voorbeeldig, drinkt niet, heeft een baan, heeft geld en kan goed opschieten met de buurt.

Op 7 oktober 1949 eindigt zijn voorwaardelijke vrijlating, vier maanden later overlijd hun dochter. In 1953 werd door de Nederlandse Staat een wet ingevoerd waardoor statenloze Nederlanders hun Nederlanderschap weer terug kregen. Toon en Harmke blijven in Almelo wonen, hun laatste rustplaats is een familiegraf op de begraafplaats ’t Groenedael in Almelo (Afdeling 4, Graf 3325, Vak 7).

Uit bovenstaand verhaal blijkt maar weer dat Nederlandse vrijwilligers uiteenlopende motieven hadden om in Duitse dienst te treden, het waren lang niet allemaal overtuigde Nationaal Socialisten.